CULTUUR, SPORT EN VERENIGINGSLEVEN

Een belangrijke verandering in het culturele en verenigingsleven voltrok zich in de 19e eeuw. Toen werden in het hele land vele gebouwen speciaal ingericht voor de podiumkunsten,
musea, sportverenigingen, gezelligheidsverenigingen, etc.
Tot die tijd vonden uitvoeringen van muziek, dans en toneel voornamelijk plaats op straten en pleinen, tijdens jaarmarkten, in kerkgebouwen of bij particulieren thuis. Een Amersfoorts voorbeeld van dit laatste is de Musiecqsael uit 1776 aan de Muurhuizen 199. Verzamelaars stalden hun kunst, boeken, naturalia of curiosa binnenshuis uit: aan de wanden of in fraaie kabinetten. Gezelschappen als herensociëteiten of rederijkers kwamen bijeen in herbergen of logementen. Sport en spel werden buiten beoefend, maar voorzieningen waren er meestal niet.
In de 19e eeuw werden nieuwe gebouwen en accommodaties opgericht die speciaal bestemd waren voor deze functies. Ook werden bestaande gebouwen herbestemd. Redenen waren onder meer de opkomst van culturele instellingen, zoals Museum Flehite, en de groei van het verenigingsleven. Zo werd in 1837 buitensociëteit Amicitia opgericht aan het plantsoen (de huidige Stadsring). De sport werd beter georganiseerd met sportverenigingen, competities en reglementen.
Een en ander werd ingegeven door de behoeftes van een middenklasse die rijker en invloedrijker werd. Het resultaat was een steeds breder aanbod dat toegankelijk werd voor een steeds groter deel van de bevolking.
In de 20e eeuw zette deze ontwikkeling zich voort, mede door de toenemende verzuiling. Diverse kerken realiseerden een eigen verenigingsgebouw. Het aantal musea breidde zich uit met onder meer het tentoonstellingspaviljoen Zonnehof uit 1959 naar ontwerp van Gerrit Rietveld. Amersfoort kreeg bioscopen en theaters, waaronder bioscoop Grand uit 1934 (het huidige Vue). Naast het openluchttheater uit 1914 in Birkhoven werd in 1934 in het kader van de werkverschaffing een bosbad aangelegd. Vooral na de Tweede Wereldoorlog zorgden de toenemende vrije tijd en stijgende welvaart voor een groeiend gebruik van deze plekken van plezier.

De muziektent bij Sociëteit Amicitia in Plantsoen Zuid, ca 1900 / foto Archief Eemland

NAAR BUITEN

Eeuwenlang gingen mensen niet altijd voor hun plezier naar ‘buiten’. Op het platteland werkte het volk in de openlucht, terwijl de adel alleen voor hun plezier naar buiten ging. Voor de jacht of een dagje in de herenkamer van hun pachtboerderij. Maar in de 17e eeuw veranderde dat. Rijke burgers uit de stad verruilden in de zomermaanden hun stadshuis voor hun buitenhuis. Daar was het tenminste niet zo benauwd en stonk het niet. Zo liet Jacob van Campen in de eerste helft van de 17e eeuw Huis Randenbroek bouwen, met een uitgestrekt park rondom. Daarin lag onder andere een geometrische siertuin maar ook een moestuin. Moestuinen kwamen niet alleen bij buitenhuizen voor, ook in de stad. De moestuin was de versleverancier voor de keuken: er groeiden kruiden, struiken met bessen, fruitbomen en ‘warmoes’, bladgroenten.

Maar de mode veranderde: stijve siertuinen veranderden in een Engelse landschapstuin, met slingerende paden en romantische bosschages. In deze stijl werden ook in de eerste helft van de 19e eeuw de plantsoenen rond de stad aangelegd, op de plaats van de oude middeleeuwse stadsmuur. Vanaf de lommerrijke slingerpaden hadden de wandelaars zicht over de stadsgracht op het nog veelal onbebouwde platteland rond de stad. De oude stadspoort Monnikendam bleef behouden als een romantisch element.

In de binnenstad verdwenen in de 19e en begin 20e eeuw de open plekken van de stadsboerderijen en werden volgebouwd. Nieuwe inwoners vestigden zich in wijken als het Bergkwartier, Soesterkwartier en Leusderkwartier. In Amersfoort was het immers gezond wonen: omstreeks 1920 werd Amersfoort geroemd als woonplaats omdat het hier malaria-vrij was. Het Berghotel trok toeristen met de schone lucht. In de wijken was voldoende ruimte voor recreatief groen, zoals Klein-Zwitserland en de plantsoengordel bij het Soesterkwartier. Na 1945 groeide de stad verder. In de nieuwe wijken bleef groen belangrijk, zoals Park Schothorst dat een groene long in het noordelijk deel van de stad vormt.

Park Randenbroek